Spaarloon- en levensloopregeling

Een werknemer kan vanaf 1 januari 2005 nog maar bij één werkgever aan de spaarloonregeling deelnemen. In 2007 mocht het gespaarde bedrag niet meer dan € 613 zijn. Er moet aan de volgende twee voorwaarden voldaan worden, wanneer een werknemer bij een werkgever wil sparen met gebruik van de spaarloonregeling. Ten eerste moet de werknemer op z'n minst vanaf 1 januari 2007 bij de desbetreffende werkgever in dienst zijn. Ten tweede moet de werkgever vanaf 1 januari 2007 de algemene heffingskorting toegepast hebben ten aanzien van de werknemer. Wanneer een werknemer dus pas na de eerste dag van het kalenderjaar in dienst komt bij een werkgever dan kan er geen gebruik gemaakt worden van de spaarloonregeling.

 

 

Levensloopregeling

De levensloopregeling is een alternatief voor de VUT en het prepensioen. Deze regeling bestaat sinds 1 januari 2006. Hierbij kan de werknemer niet meer dan 210 procent van het verdiende salaris opzij zetten om drie jaar vroeger te stoppen met werken. De berekening is als volgt: 3 x 70% = 210%.


Deelname aan de levensloopregeling kan zelf bepaald worden door de werknemer. Hiernaast mag er niet meer dan 12 procent van het salaris per jaar toegevoegd worden aan het levenslooptegoed. Deze regel geldt echter niet voor werknemers die voor 1 januari 1955 geboren zijn. Over de eventuele toevoeging aan het levenslooptegoed hoeft geen loonbelasting betaald te worden. Er moet wel gezegd worden dat er premies werknemersverzekering ingehouden worden.


Zelfstandige ondernemers kunnen niet aan de levensloopregeling deelnemen. In de levensloopregeling kan men geld sparen voor verschillende doeleinden. Onder andere voor ouderschapsverlof, zorgverlof, studieverlof of om eerder te stoppen met werken. Om de laatste vorm gaat het hier, omdat deze vorm van de levensloopregeling gerelateerd is aan het pensioen.